Beeldenstorm in het Dovrefjäll

"Jij weet het, ik weet het ook. Kom niet te dichtbij. Blijf niet te ver weg. Verberg je. Geef je bloot. Vergeet wat je weet. Onthoud het. Maskers vallen, verhardingen, korsten, glanslagen. De blanke huid. Ongeveinsde uitdrukking. Mijn gezicht, dat is het dan. Dit het jouwe. Totaal verschillend. Totaal op elkaar gelijkend. Vrouw. Man. Onbruikbare woorden. Wij, elk gevangen in het eigen geslacht. De aanraking waarnaar we zo eindeloos verlangen, die is er niet. Die is samen met ons van leven beroofd. We zouden die moeten verzinnen. In dromen presenteert zo iets zich, verminkt, angstaanjagend, verwrongen. De vrees bij het ochtendkrieken, na het vroege ontwaken. Onherkenbaar blijven we voor elkaar, onbenaderbaar, hevig verlangend naar vermomming. Vreemde namen waarvan we ons voorzien. De klaagzang in de keel, teruggeduwd. Rouw is niet mogelijk, want waar is het verlies?

Ik ben niet ik. Jij bent niet jij. Wie is wij?"

-Uit: Christa Wolf, Geen Plek. Nergens.-

 

§

De vertelling is begonnen op het moment dat we bij Hjerkinn aankomen. De trein verdwijnt langzaam uit het oog. Het sein is op rood gesprongen. Op de achtergrond de Snöhetta. Verlate sneeuwvelden die de golvingen van het landschap accentueren en op geheel eigenzinnige wijze belichten.

Achter ons het houten stationnetje. De wachtkamer is geschilderd in de kleuren oud rose en lichtblauw. Herinnering aan een kinderkamer. Zijn oudroze en lichtblauw de kleuren van het nog naïeve wachten op wat komen gaat? Met voor ieder geslacht een eigen kleur?

Een week lang zullen wij, twee wandelaars, in het Dövrefjäll vertoeven. Ik schrijver, hij fotograaf. Beide beproeven we onze middelen.

 

§

We zitten tegen een rotswand gehurkt, omhuld door onze groene poncho's, de mutsen over de ogen gedrukt. Zwijgzaam en gelaten. De sneeuw, opgezweept door de wind, maakt ieder verder gaan onmogelijk. Het zijn de naweeën van een al te lange winter in dit Noorse berglandschap.

Straks als de wind gaat liggen en de sneeuwval stopt, kunnen we weer iets zien en zullen we de tocht vervolgen. Slechts de kaart herinnert ons eraan waar we zijn, verschaft ons houvast. Verder lopen we verloren in een ruwe leegte.

Dagen later denk ik aan het voorgaande beeld terug. Opnieuw vinden we beschutting onder de poncho's. Een laatste sneeuwbui teistert de vallei. De vallei die ons uit dit gebergte zal voeren. Bijna was ik dat beeld vergeten, was het verloren gegaan tussen de vele andere beelden.

Een beeld? een verhaal?

Naast me het gedruis van een driftige bergbeek. Snel en behendig zoekt het water zich een weg. Een weg naar buiten. Weg uit dit fjäll. Witte koppen, rollend over de rondgepolijste stenen. Kolken en cascades. Het water is gehaast, het houdt geen herinnering vast.

In en om het water liggen verlate blokken sneeuw. Restanten van het witte sneeuwdek dat het water maandenlang in haar stille greep vasthield. De lente brengt de jaarlijks terugkerende metamorfose: de kille verstarring omgezet in een rusteloze beweging.

Mijn blik volgt de stroom. Ik word meegetrokken. Fascinatie en schrik. Ik wend mijn hoofd af en kijk terug omhoog naar het glibberige paadje dat we volgden. Gladde rotsplateaus, sneeuwvelden, losse brokken steen. Een pad is het nauwelijks te noemen. Slechts de halfzichtbare merktekens, de krassen op het landschap en de stippellijn op de kaart geven er gestalte aan. Het pad voert dicht langs de stroom. De vallei is nog nauw, we zijn ingeklemd tussen het water en de steile rotswand. Ik draai mijn hoofd weer terug. De vallei verandert hierdoor van tint, van kleur. Merkwaardig is dat verschil tussen vooruit- en terugblikken. Flarden, beelden, droomresten doemen op. Bruusk schud ik mijn hoofd en schouders, alsof ik ze van me af wil werpen, alsof iets me bespringt.

Ik houd de beelden niet meer in de hand, kan ze niet meer staande houden. Onophoudelijke beeldenstormen.

De aanhoudende sneeuwval belemmert het uitzicht. Woedende beekjes, die zich in grote vaart van de steile hellingen storten, breken het pad. We springen van steen naar steen. Opspattend water.

Langzaam verbreedt de vallei zich, raakt het pad overwoekerd met taai laag struikgewas, verandert de wandeling van karakter. Het stopt met sneeuwen, het glibberige rotsoppervlak verdwijnt en maakt plaats voor taai gras, hier en daar verdronken in grote plassen water.

Natte voeten, al uren zijn de sokken doorweekt. Daarboven op de hoogvlakte ploeterden we door de weke sneeuw. Door de sneeuwlaag heen trapten we in decimeters diep smeltwater. Binnensijpelend water.

Straks, later op de dag, zullen we de camping van Driva bereiken, zullen we genieten van een hete douche. Heet stromend water.

Is lust een kwestie van temperatuur?

De zon breekt door en het pad dat inmiddels een zichtbaar lint is geworden, voert langs de eerste groene weiden. Schapen. Een aantal uit steen en plaggen opgetrokken hutten staan verstrooid in het landschap. De vallei is hier op zijn breedst, de hellingen zijn licht glooiend en geven voldoende ruimte voor een karig bestaan. Vredig. Even verder sluit de vallei zich. Slechts een smalle en diep uitgesleten kloof resteert voor het water dat zich letterlijk naar beneden stort. In die smalle vore is voor een mens geen plaats. Het pad buigt af en voert ons over de berghelling in de richting van het hoofddal, honderden meters lager. Door het bos zoeken we ons een weg naar beneden. Een steenarend cirkelt boven ons uit. Een enkele vleugelslag draagt haar meters hoger. Af en toe schreeuwt zij het uit. "Kieja, kieja". Ik volg de arend tot zij uit mijn blikveld is verdwenen. Welk verlangen, welke pijn schraagt haar taal?

 

§

"Ik ben verliefd aan het worden, verliefd op dit landschap." Zachtjes mompel ik het voor me uit. Ik wil gaan schrijven, wil gestalte geven aan dit genoegen. Een verhaal, ja een verhaal zal ik vertellen. Ik pak een pen.

Ik aarzel. Een verhaal, gevuld met betekenisvolle gedachten, kan niet zonder paradigma, kan niet zonder opposities. Liefde krijgt pas betekenis door het bestaan, door de mogelijkheid van haat. De haat is de stille medeplichtige van de liefde. Schrijf liefde en je draagt de haat met je mee. Geen liefde zonder blos van de haat.

De beelden verwringen zich. De gedachte dat ik dit landschap liefheb en dus haat, maakt me onrustig. Ik wil niets weten van deze schaduw van de haat.

Wit papier. Mijn gedachten dwalen naar de hoogvlakte, naar de sneeuw, de bergen, de gletsjer. Snöhetta.

"Wo ich nicht bin, da ist das Glück."

 

§

Niet lang na ons vertrek uit Hjerkinn bereiken we de sneeuw. Kleine en grote sneeuwvelden strekken zich voor ons uit. R. aarzelt: moeten we wel hoger gaan, mogen we deze grens overschrijden, begint hier niet het gevaar? De zachte sneeuw. Hoe kunnen we haar sterkte, haar draagkracht beoordelen. Welke gaten houdt ze voor ons verborgen?

Ik aarzel niet, opgewonden en blij als een kind, zet ik weer de eerste voet in de sneeuw. Tot over mijn knieën verdwijn ik erin, alsof de sneeuw me wil opnemen. Hier heb ik naar verlangd, deze sneeuwlichamen, hun plekjes, hun listen, hun verleidingen, uitdagend en verraderlijk.

Hoe het lopen door de sneeuw te verwoorden? Een vluchtige beroering, het trekken van een genotvol spoor. Lustlijnen. Het voetspoor als lustlijn? Die vertrapping, die ontluistering, dat zichtbaar verminkende spoor.

Welke woorden omgeven deze erotiek ?

Hangt de vraag of het gaat om pijn of genot, de keuze tussen deze sporen, niet af van de taal die zij, de sneeuw, spreekt? Bij Sade blijkt pas aan het eind van de zin of er sprake is van kwelling of van lust: krijst het slachtoffer of komt het klaar. Bij hem schept het paradigma krijsen/klaarkomen de betekenis.

De sneeuw blijft stil, onbewogen. Nieuwe, vallende sneeuw bedekt de achtergelaten sporen. Zoals een hoer haar rok gladstrijkt. Welke herinnering? (In mijn hart weet ik, en toch wil ik niet weten: dit landschap is me onverschillig).

 

§

De beroering van twee oppervlakken. De metamorfose die ontstaat als twee lichamen elkaar vastgrijpen, tegen zich aandrukken. Dat meerhoofdige liefdeslichaam.

"De buikspieren van het jonge stomme meisje klinken zich vast aan de onderbuikspieren van de bruine krullenkop, de langs waaiende wind moduleert onmiddelijk het minste organische geluid daarom moet de ene tekst (de betekenis) van een andere tekst ondermijnen tot er enkel nog achtergrondmuziek is als reggae: de onontwarbaarheid van relatie-texturen het organische (niet de betekenis) herontdekt, stom gedrochtelijk weerzinwekkend vuiligheid halve gare gruwelijk kots ogen -puilen-uit-altijd-van-walging-van-wat-mensen- ontvluchten-altijd-alleen-willen-zijn".

Ongepaste citaten bezetten mijn gedachten, dit is niet wat ik wil, dit is niet wat ik zoek. Wat ik zoek zijn de mooie beelden, de onbedreigde woorden. Toch, steeds dat geweld. De blos. Daarom moet de ene tekst de andere tekst ondermijnen tot er enkel nog achtergrondmuziek overblijft: Le bruissement de la langue.

Ik loop verder, zak weg in de sneeuw, onderdruk de gedachten.

"Het is niet dat je ergens moet komen, het is dat je weg moet van de plaats waar je bent."

De brandende vraag komt terug. Hoe kan ik schrijven? Hoe kan ik deze verliefdheid uitschreeuwen, verbeelden? Ik herinner me die uitspraak: woorden doen de dingen, doen het gebeuren verdwijnen. Stekende pijn. Mijn liefde zeggen is haar prijsgeven. Echter, zwijgen is ondraaglijk, is me plaatsen in het teken van de onverschilligheid. Liefde zonder teken is harteloos. Ik kijk R. aan. Smeek hem om de juiste woorden.

Geef me een inktvlek. Nee, geen pen, nee vooral geen pen. Een pen, doelgericht, schrijft verhalen. Hij beweegt zich over het papier op weg naar het einde, op weg om klaar te komen. Penfallus. Ik moet mijn liefde bewaren. Beschermen tegen zijn stijl-stilet-dolk-pen-fallus. Hij wil mijn liefde vastpinnen, als een vlinder opbergen in zijn verzamelkast. Hoe kan ik mijn voorbije liefdes (voor de tekst, voor zijn lichaam) en de liefde van dit moment verbergen in deze tekens. Hoe kan ik me beschermen tegen de vertellers, de kartografen, de ontleders, de analytici, de macho-soldaat-man-grijpstijl-fallussen die zich verheffen om te verminken, te ontkrachten.

Wie verdraagt de wetenschappers, de beleidsbureaucraten met hun instrumenten, hun observerende blikken, hun felle licht, hun scalpels? Zij doden hun objecten om ze te bestuderen, te beheersen, vast te grijpen. Kadaverdenken, omhuld in witte en groene lakens.

 

§

Ik draai me onrustig om. Ik kan de slaap niet vatten. Ik maak de tent open en kijk naar buiten. We staan op een brede vlakte omzoomd door bergruggen. In het zwakke sterrenlicht tekenen zij zich donker en zwaar af. Rechts van de tent het geruis van water. Onbekende stemmen. Een ondiepe maar brede stroom die twee meren met elkaar verbindt. Morgen zullen we hier doorheen waden.

Links verheft zich, nu onzichtbaar, de Snöhetta. De hele dag liepen we langs haar flanken. Ze hulde zich in de mist. Slechts een enkele maal zagen we haar gletsjers schitteren.

Ik doe de tent weer dicht. De ongecontroleerde gedachten van deze tocht verontrusten me. Hoe kan ik meer structuur vinden. Ik zal me een Naam moeten geven.

Franciscus, heet ik, of Françoise. Dat hangt af van de plaats waar ik ben. Mijn ouders noemden me Fransje, maar dat is al lang geleden.

Ze sluit de ogen. Schuw, alsof ze het licht niet kan verdragen. Ze wil zich opsluiten in haar eigen droomwereld. Haar droomwereld: een wereld van "born to run, born to loose", een wereld waarin ze zich nog machtelozer weet, maar waar ze tenminste geen rekenschap hoeft af te leggen, zich niet hoeft te verzetten.

Het TV-geweld, dat ze 's avonds thuis gedachtenloos consumeerde, leeft zich hier op groteske wijze uit. Altijd is ze op de vlucht, in de bergen, in de spelonken, in de moderne betonbuurten, de parkeergarages, de metro, de trein. Ruimtes die van plaats veranderen zodra ze er binnen treedt. Als de situatie zich versnelt en ze om te overleven snel moet ingrijpen, dan vertraagt haar pas, verstarren haar bewegingen.

Verschrikt opent ze de ogen. Deze ruimte ken ik niet, dit vreemde bed, die witte muren, een deur die dicht slaat, een vreemde stem, vaag, het geluid van voetstappen. Ik probeer me te bewegen, tevergeefs, wie houdt me vast, waarom lig ik vastgebonden, waar ben ik? Een kliniek? een kasteel? Geopende lichamen, verscheurde lichamen? Het felle licht zal het verschil bepalen.

Ik schrik wakker. Na lang gedraai was ik tenslotte in slaap gevallen. R. stoot me aan. Zwijgzaam eet ik het ontbijt dat hij me aanreikt. Zoals altijd havermout met rozijnen. Als de tent is afgebroken en de rugzakken zijn gepakt, zeg ik: "Ik ga niet verder. Ga jij maar, steek het water over en zoek de bewoonde wereld. Ik ga terug, terug naar de Snöhetta. Hier heb je de kaart en het kompas, die heb ik niet langer nodig."

R. protesteert maar ik luister niet meer. Woorden, woorden, woorden, onthechte woorden zonder zin. Ik sta op en ga mijn weg terug naar de Snöhetta. De beelden, de woorden, zwiepen zich op in mijn hoofd. Ik zie niet dat mijn wereld hevig aan het afbrokkelen is. Op een afstand, zo bleek later, volgde R. me.

Nee, kaarten wil ik niet meer. Afschuwelijk. Dat ik daar gebruik van heb willen maken. Kaarten die dit landschap menen te representeren, die haar waarheid menen te kunnen ontvouwen. Kaarten die de paden wijzen, die voorschrijven hoe ik haar mag betreden, haar mag beroeren. Uitgestippelde lustlijnen. Kaarten van de U.S. Army Topografic Command. Hun vernietigend spoor. Worldwide. U.S. Army Pornografic Command.

Mijn liefdessporen zullen vluchtig zijn, terloops, kronkelig, doelloos, zonder reserves, zonder voorbehoud. Ik zal verloren gaan, in haar opgaan. Kijk, die glinstering, die vurige tong, ze roept me toe. Ik kom.

 

§

...................................................................
...................................................................
...................................................................
...................................................................
...................................................................
.................. R. zag me zitten aan de rand van de gletsjer naast het nog half bevroren, met de zeegroene melk gevulde, gletsjermeer. Naakt zat ik daar. Uitgeput. Holle ogen, een verkleumd en bloedeloos gelaat. R. schreeuwde tegen me: blijf wakker, beweeg!

Ik schrik op, een stem: bewegen, bewegen. De kreten snijden door me heen, kieja, kieja. Waar is die beweeglijke gloed, die vurige aanraking? Wat doe ik hier in deze kou, waar zijn mijn kleren, hoe kom ik hier. Ik zoek naar woorden. Woorden, geef me een tekst waarin ik me kan hullen. Bescherm me tegen deze vrieskou. Nee, laat me, laat me verijsen, verstommen, laat me verloren gaan.

R. zet de tent op, rolt mijn slaapzak uit, kookt hete soep, verwarmt me en voert me met geruststellende woorden. R. geeft me beelden, mooie composities, de bedreiging in kaders gevangen.

Ik geniet van zijn warmte, maar ergens knaagt dat citaat:

"Met jouw melk, moeder, heb ik de kou gedronken. En hier ben ik nu met dat ijs in mijn binnenste. En ik loop nog moeilijker dan jij, ik beweeg nog minder dan jij. Jij bent in mij gestroomd, en die warme vloeistof is vergif geworden dat me verlamt. Mijn bloed stroomt niet meer naar mijn voeten, niet meer naar mijn handen en niet meer tot bovenin mijn hoofd. Het staat stil, gehinderd door de kou....En ik kan niet meer rennen naar waar ik van houd. En hoe meer ik liefheb, des te meer word ik gevangen genomen, tegengehouden, verlamd, versteend. En ik word woedend, ik spartel tegen, ik schreeuw -ik wil weg uit deze gevangenis. Maar welke gevangenis? Waarin ben ik opgeborgen?"

 

Ga naar vorige pagina Ga naar begin pagina Ga naar volgende pagina

Noot:

De in deze tekst opgenomen fragmenten zijn afkomstig van:

 

© Juni 1985 (herzien mei 1990)

Terug naar het begin van deze pagina
27-05-2006