Dwalen tussen tekens
Snåsa, 16 augustus 1992
Lieve R.,
Om me heen de restanten van een meer dan copieuse maaltijd; Sommartellerken, een koude zomerschotel met een keur van in kleine plakjes gesneden vis en vlees. Dit alles geserveerd met Lysholmer light, een licht biertje uit Trondheim. Het bier wordt tijdens de maaltijd uitgeschonken in een wijnglas, daarna, om je ontmoedigen, in een limonadeglas. Je begrijpt, ik ben weer onder de mensen.
Een Noor gaf me de laatste acht kilometer naar Snåsa een lift. Achterin een hond, afgericht op de elandenjacht. Binnenkort moet hij met zijn hond het jachtexamen afleggen. Hij was zo vriendelijk enkele kilometers om te rijden en me pal voor het Touristsenter af te zetten. Ik had hem verteld dat ik dringend behoefte had aan een douche en een heet bad. "Yes, I can smell", was zijn glimlachende reactie. Elf dagen ben ik nu onderweg geweest. Van Storlien naar Snåsa, een afstand van honderdenzeventig kilometer. Ik heb er twee dagen langer over gelopen dan in de bedoeling lag.
Ik heb hier in het Touristsenter een bescheiden hytte gehuurd. Het is een weldaad weer op een stoel te kunnen zitten, over een tafel te kunnen beschikken en een dak boven je hoofd te hebben. Het is bovenal een luxe in de eetzaal van het hotel-restaurant te kunnen verblijven: je hoeft het maar te vragen en allerlei dranken en maaltijden worden voor je aangesleept. Naast me staat een koelvitrine met gebakjes en een open koelkast met bier en frisdranken. In het fjäll kun je daar alleen maar van dromen.
Laat ik bij het begin beginnen. Storlien. Het kleine vakantiedorpje ligt op een kleine zevenhonderd meter hoogte. Als ik de trein uitstap sta ik al midden in de bergen. Je kunt het vergelijken met onze vakantie in Noord-Zweden toen we in Abisko uitstapten: een enkel gebouw en verder de aankondiging van een zeldzaam soort stilte. Het is mooi maar veranderlijk weer. Na een korte klim ligt het fjäll er golvend en kleurig bij. Veelkleurig. Allerlei tinten groen, bruin, oker. Paarse heidestruiken, witgroene rendiermossen. Dit alles gedecoreerd met bloemetjes variërend van licht violet tot donkerpaars.
Vroeg in de middag zet ik de tent op. Even later slaat het weer om, de temperatuur zakt. De volgende twaalf uur regent het onophoudelijk. De wind sjort de hele nacht aan het tentdoek. Een enkele pen wordt uit de grond gerukt. Maar dan lig ik allang diep in mijn slaapzak begraven.
De volgende dag sta ik na drie uur lopen voor een rivier waar ik doorheen zou moeten waden. De vele regen heeft de rivier danig doen zwellen. Hier is geen doorkomen aan. Omlopen dus. De rivier vindt zijn oorsprong in een nabijgelegen meer en er zit weinig anders op dan om dat meer heen te lopen. Dat is een tocht van acht kilometer. Als ik de kaart goed inschat dan zullen de vele riviertjes die het meer voeden, stuk voor stuk doorwaadbaar zijn. Aan het eind van de dag sta ik weer vlakbij die rivier, nu aan de ander kant.
's Avonds breekt de zon eventjes door en de wind gaat liggen. Deze windstilte zal me deze tocht vaker overkomen. Het fjäll wordt muisstil. Alleen de eigen voetstappen en de eigen ademhaling zijn hoorbaar (en 's nachts, als ik stil lig, alleen nog het ruisen van het bloed).
Het geluid van mijn voetstappen bestaat uit het geluid van opspattend water. Meer dan de helft van deze tocht voert me door de moerassen, door de toendra. Mijn oude Lundhags zijn daar niet meer tegen bestand (het rubber is poreus en het stiksel laat langzamerhand los). Lopen met natte sokken gaat me gelukkig goed af, het is alleen vervelend 's morgens van die koude natte sokken aan te moeten trekken. Maar ach, alles went.
De derde dag brengt me in Noorwegen. Je weet dat ik het een vreemd trollenland vind, en dat blijft het. De glooiende hellingen verdwijnen. Hiervoor in de plaats komt een chaotisch landschap vol met rotsplateaus, kloven en kleine ravijnen. Zonder kompas krijg ik geen vat op dit gebied. Ik stop deze dag al vroeg met wandelen. Ik voel me vervreemd van dit ruwe land. Een beetje slenteren rond de tent, rustig de lucht opsnuiven. Dat helpt.
Het weer: veel buien en 8°. Veel warmer zal het deze tocht niet worden.
De vierde dag. Ik lig al ruim een dag achter op het schema. De geplande twintig kilometer per dag is in dit ongemarkeerde landschap onhaalbaar. Meer dan vijftien kilometer per dag zit er vooralsnog niet in. De stap door de moerassen is erg zwaar. De koekjes en de liga's gaan op rantsoen. De dropjes die E. op het laatste moment nog in mijn rugzak stopte, zijn allang op.
Het is vandaag zonnig en windstil. Langzamerhand begin ik grip op dit Noorse gebied te krijgen, ga ik me ook in dit Noorwegen thuis voelen. Het traject dat ik vandaag loop, is redelijk overzichtelijk. Een weids dal met in de verte twee bergtoppen. Daartussen de col waar ik naar toe moet lopen. Het kompas kan vandaag gelukkig in de rugzak blijven. Wandelen zonder kompas vind ik prettiger; ik houd meer contact met het landschap en jakker niet zo van punt naar punt.
Bij de col aangekomen ligt een meertje te genieten in de zon. De rugzak wordt uitgepakt en alles wordt te drogen gelegd. Bij een klein beekje zoek ik een grote platte steen waar ik op kan gaan zitten. De scheerspullen leg ik naast me neer. Scheren zonder spiegel, de blik gericht op de tegenover me liggende zwartgroene berghelling. Een aparte ervaring. Bij het scheren kijk ik altijd in een spiegel en zie ik mijn gezicht. Instinctief kijk ik ook nu in de spiegel. In plaats van mijn gezicht zie ik nu die berg. Een metamorfose. Ben ik die berghelling? Die dag loop ik verder vrolijk en bevredigd rond.
Later op de dag, voorbij die col, opent zich een wijds landschap bestaande uit kale golvende rotsplateaus. Door die plateaus loopt een kilometerslange kaarsrechte breuklijn. De resten van een oude aardbeving. Een litteken dat herinnert aan een millennia oude geschiedenis waarvan een mens de tijdspanne niet kan bevatten.
De vijfde dag voert me voor de eerste maal uit de bergen. Ik moet afdalen en het dal van de rivier Inna oversteken. Het is een breed laaggelegen dal met her en der verspreid liggende kleine boerengemeenschappen. Ik kan gelukkig gebruik maken van een bestaand weggetje dat me voert door de met dichte bossen begroeide hellingen. Voor het eerst sinds de aanvang van de wandeling een mens ontmoet. Een vrouw die met haar zoontje bosbessen en hjortrons plukt. De ontmoeting is kort maar krachtig en laat bij mij een sprookjesachtige gevoel achter. Na weer uit het dal te zijn geklommen, hoor ik gerinkel van bellen. Het blijken schapen te zijn. Hier op het skardfjellet houden de Noorse bergboeren schapen. Zonder schaapherder. De schapen lopen verspreid in kleine groepjes. De schapenpaadjes maken het wandelen lichter. Tussen twee kleine meertjes zet ik mijn tent op. 's Avonds wikken en wegen de schapen hoe ze langs mijn tent zullen rennen. Ik blijk precies op een van hun favoriete wandelpaadjes te zitten.
Het weer is opgeklaard. Tijd voor een verfrissend bad. Koud doch verkwikkend.'s Nachts begint het weer te regenen. 's Morgens blijkt mijn tent gehuld in een dikke nevel.
De zesde dag. Stil blijven liggen. Het zicht is nog geen tien meter. Aan het einde van de ochtend klaart het iets op en is het zicht goed genoeg om de spullen in te pakken en verder te gaan. Er liggen hier vrij veel kleine meertjes en op kompas kan ik van meertje naar meertje lopen. Ik ben nog niet goed en wel weg, of het wolkendek trekt weer dicht. Het begint te regenen en het zicht neemt af tot nog geen dertig meter.
Na twee uur lopen houd ik het voor gezien. Tot dan was de route te volgen. De meertjes en een enkele beek gaven voldoende houvast. Al ben ik inmiddels weer zeer bedreven in het lopen op kompas, het gebergte laat niet toe verder in deze mist te lopen. Er zijn te weinig herkenningspunten. Ik pluk een mok vol hjortrons en zet mijn tent op in Merkesdalen een klein smal, beschut dal.
De zevende dag voert me wederom de bergen uit een bewoond dal in. Dit keer moet ik tot honderd meter hoogte afdalen, of te wel zeshonderd meter hoogteverlies. Beneden de vijfhonderd meter beginnen de bossen, dicht en ondoordringbaar. Op de kaart staat een klein stippellijntje: een pad. Maar hoe dit paadje te vinden. Enigszins ongerust begin ik aan de tocht. Een gevoel van opluchting en trots toen ik het paadje vond. Het was niet meer dan een licht verkleurde streep door het moeras en wat platgetrapt gras. Over het paadje rap naar beneden, naar Julnes, een gehucht van vier boerderijen. Nu weer omhoog. Een lastige opgave. Het paadje dat op de kaart staat ingetekend is niet meer terug te vinden. Iets verderop vind ik een ander pad, ontstaan door de houtkap iets hoger op de berghelling. Holzwege, zoals de Duitsers dat zou mooi kunnen zeggen.
Via dat pad, en het gerooide veld kan ik tweehonderd meter stijgen. Daarna verder omhoog, zoekend naar de moerassen, de enige open plekken waarlangs je omhoog kunt gaan. Kleine door elanden gemaakte sporen leiden me de weg. Na uren geploeter kom ik op het Harbakkfjellet. Eindelijk weer ruimte. De lucht breekt open en na een dag vol motregen verschijnt de zon weer. 's Nachts volle maan! Een onvergetelijke ervaring.
Het Harbakkfjellet vormt samen met het Skjekkerfjellet een merkwaardig geheel. Het eerste is een bergrug die dwars staat op het tweede, een hoogvlakte met aan de westkant steile berghellingen. Om op die hoogvlakte te kunnen komen moet je als het ware eerst een drempel over. Die drempel zelf bestaat uit een reeks in elkaar overlopende bergtoppen. Na enig gepuzzel en getuur op de kaart, lukt het me de smalle passage door dit fjäll te vinden. Ook hier weer veel kloven en ravijnen. Een strakke koude noordenwind ligt op de loer en verandert de smalle doorgang in een op volle toeren draaiende windtunnel. Eenmaal voorbij het Harbakkfjellet wacht de vriendelijk glooiende bergvlakte.
Ik pauzeer en onder het genot van een kopje koffie lees ik de laatste bladzijden uit Onder de Stolp van Sylvia Plath. Het is het verhaal van een jonge vrouw die zich langzaam maar zeker afwendt van de wereld en zich opsluit in haar eigen gedachten. Gedachten die fladderen door de nacht zoals haar kleren, die ze op een goed moment vanaf het dakterras van haar hotel gooit. "Een voor één voerde ik al mijn kleren aan de nachtwind en als de as van een dierbare dode werden de grijze flarden fladderend meegevoerd en belandden hier, en daar, waar precies zou ik nooit te weten komen, in het duistere hart van New York."
De wereld dwingt haar tot keuzes. Deze kan ze niet maken omdat ze alles tegelijk en tegelijkertijd niets wil. In haar eigen wereld kan ze de keuzes opschorten, tot in de dood. Een dood die uitgesteld wordt omdat ze geen plek vindt zonder mensen, een plek waar ze niet ontdekt zal worden. Uiteindelijk vindt haar moeder haar vrijwel levenloos in een nis in de kelder.
Als ze later met haar moeder de inrichting verlaat zegt de moeder: "We gaan verder waar we opgehouden waren, Esther, we doen gewoon alsof dit allemaal een boze droom was." Een boze droom. De vertelster denkt: voor degene onder de stolp, wezenloos en gestuikt als een dode baby, is de wereld zelf de boze droom.
De beide werelden, die van de rede en die van de waanzin roepen elkaar op en sluiten elkaar tegelijk uit. Zoals de dag (als aanduiding van een periode van 24 uur, bij voorbeeld de maandag) de nacht insluit en tegelijk radicaal uitsluit (de dag als licht en de nacht als duister). De vertelster beschikt alleen over de nacht; de moeder, voor wie de nacht een boze droom is, leeft in de dag en sluit met haar geloof in fatsoen, shockbehandelingen, psychiaters en inrichtingen de nacht in.
De vertelster rest haar glazen stolp óf de boze droom die de wereld is. De schrijfster zelf pleegde niet lang na het schrijven van dit boek zelfmoord.
Over een paar dagen, als ik weer in de bewoonde wereld kom, zal ik het boek vanwege het gewicht weggooien. Hollandse nuchterheid verhindert me de gelezen bladzijden vanaf een bergtop met de wind mee te laten voeren. Thuis zal ik het boek opnieuw aanschaffen.
De negende dag maak ik vaart. De route is dit keer simpel. Ik hoef alleen een rivier te volgen. Onderweg veel watervalletjes. Een sprankelend gezicht en aanstekelijk geluid. Echter, de ogen en oren zijn op niets gericht. Door mijn hoofd flitst het 80-km spotje van Veilig Verkeer Nederland. Een auto rijdt met grote snelheid over een provinciale weg. De camera is gepositioneerd vanachter het stuur zodat je als kijker de automobilist wordt. De stem van Paul de Leeuw geeft commentaar: "fietsertjes, eendjes, oeps bruggetje", de auto weet deze 'obstakels' steeds ternauwernood te ontwijken, totdat een tractor uit een zijweg komt. De stem, zegt vrolijk "tractortje", en dan verbaasd en angstig "tractortje?!". Daarna een hoop gerinkel van glasscherven en gekraak van buigend metaal. Zo ook hier, "watervalletje, bloemetje, bergtopje, moerasje.." Het gerinkel blijft gelukkig uit.
De tiende dag kom ik op een klein bergpaadje. Een oude route van de plaatselijke bevolking. Listig weet het paadje haar hoogte vast te houden en de al te drassige plekken te vermijden. Die dag loop ik vijfentwintig kilometer. Het pad voerde me de hoogvlakte uit door een zeer smalle canyon, die afgesloten leek door een bergmeer. Slechts een kleine ruimte rest tussen het meer en een steile bergwand. Achter een rots ligt de kloof verborgen. In de kloof tornen de rotsen links en rechts dreigend omhoog. Ineens ben ik uit die kloof en kom op een zonovergoten berghelling. Een weids panorama ontrolt zich. In de verte, dertig kilometer verderop, ligt Snåsa. Het lijkt op de laatste shot van een film. Alleen de aftiteling ontbreekt. Zo'n paadje, zo'n ontknoping van een lange tocht, bedenk je niet zelf. Anderen bieden je dit aan.
Een oude discussie herleeft: een pad volgen of mijn eigen weg banen. Het verschil is niet alleen een kwestie van snelheid. Het pad voert ook langs plekken waar ik zelf anders nooit zou komen. Zo ook nu.
Een discussie die ik ook bij het lezen van boeken ervaar. Lees je een boek zonder enige hulp (van recensenten, studies etcetera) dan creëer je voor jezelf een prachtige maar moeizame weg. Lees je na eerst gelezen te hebben wat anderen zagen en dachten, dan kun je mooie vergezichten cadeau krijgen. Echter, de verbazing, de eigen ontdekkingen, het gevaar, blijven dan uit. Iedere leeswijze heeft zo zijn prijs. Ik denk dat een mix, de alternatie van plezier (dat bestaat in het comfort van het uitgezette pad) en genot (dat schokkende, dat mogelijk is bij het onverwachte, het niet uitgezette spoor, het toevallige moment) de spannendste lezing/wandeling oplevert. Plezier/genot. Altijd weer dat Plezier van de Tekst. Altijd ook die onophoudelijke wensdroom er ooit nog eens een boek over te schrijven. R., ik zal je hier niet verder mee lastig vallen want die dromen van mij ken je maar al te goed.
Het is alweer de tijd voor het tweede diner deze dag. Ik neem het hier in het Touristsenter nog even van. Morgen ga ik Snåsa in, een klein Samenmuseum bekijken. Daarna een dagje lezen in Barthes par Barthes en dan weer op pad. Ik schrijf je weer vanuit Gäddede, de volgende pleisterplaats. Ik verwacht een dag of tien voor deze tweede tocht nodig te hebben.
Veel liefs en tot ziens,
Frans
¶
Gäddede, 26 augustus 1992
Lieve R.
Buiten snerpt de wind. Jachtende wolken belemmeren ieder uitzicht. Kleine regendruppels kletteren tegen het tentdoek. Buiten is het hooguit een graden of vijf. Binnen ook, maar daar waait het niet en is het zelfs behaaglijk te noemen. Het is de tweede maal dat ik in de bergen vast zit.
Ditmaal zou het langer duren: twee dagen en drie nachten kom ik geen stap vooruit. Wachten, wachten, wachten totdat het wolkendek zich voldoende verheft en het zicht opklaart. Ik lig stil in mijn tentje, beweeg me tussen slapen-halfslapen-waken. Mijn lichaam schakelt over naar een winterslaapstand; de hartslag daalt naar zestig slagen hetgeen voor mij, die thuis zo'n 80 tot 90 slagen per minuut gewend is, traag genoemd mag worden. Tijdens het waken lees ik afwisselend Malina van Ingeborg Bachman en Barthes par Barthes van Roland Barthes. Ik heb de tijd om de woorden tot me door te laten dringen. Thuis, in Holland, lukt me dat slechter en slechter.
Ik denk dat mijn leven, naast mijn vaste vriendschappen, vooral bestaat uit vluchtige relaties. Op een bepaald moment lees ik een tekst van Ingeborg Bachmann en vervolgens wil ik al haar teksten lezen. Boeiende woorden, een kortstondige liefde bloeit op. Even later verlaat ik deze teksten, verleid door andere woorden, andere teksten. Soms keer ik na een lange periode weer terug voor een hernieuwde kennismaking, vaak een opnieuw opbloeiende liefde. Ik ga er weer in op, geef me, totdat een andere tekst.....
Een enkele relatie blijft. Naast Marguerite Duras is dit vooral Roland Barthes. Ook hier het ritme van lezen en weer wegleggen. Het verlangen blijft echter constant, iedere dag zou ik hem weer willen proeven. Het zijn steeds andere zaken, de dagelijkse beslommeringen -zoals de maatschappelijke noodzaak geld te verdienen- die tussenbeide komen. Een gelukkig en tegelijkertijd pijnlijk ritme blijft zo intact, een ritme van aan- en afwezigheid. Gelukkig, omdat het verlangen vooral gevoed wordt door afwezigheid; pijnlijk omdat het verlangen niet wordt vervuld.
Begin jaren tachtig maakte ik kennis met Roland Barthes. Samen met B. We schreven een scriptie Wetenschap als spel en strijdperk. In het slothoofdstuk kreeg hij een plaats in de zijlijn, of meer precies gezegd, een plaatsje in een van de eindnoten. Daarna ontstond er een zeer intieme relatie, een vrijage in de vorm van de vertaling van Le plaisir du Texte. Vervolgens kreeg het de vorm van een vaste verhouding die, zoals altijd, gekenmerkt wordt door het hand in hand gaan van affectie en verwaarlozing. Ik ben blij dat ik Barthes par Barthes hier bij me heb. Het is een aanstekelijk boek waar geen verhaal over te vertellen is: het is louter genieten.
Het wolkendek trok weer wat op en ik kon verder, zo snel mogelijk het gebergte uit. Ik had het plan over een bergkam te lopen, rondom een in de lager gelegen bergkom opgesloten meer. Nu daalde ik de kom, de Guslia, zelf in en liep langs de oevers van het meer dwars door de moerassen. Ze zijn kleurrijk en zeer afwisselend, als een gekleurde en gevlamde tekst. Kleine bosschages omgeven het geheel. Regelmatig springen rendieren verschrikt op. De herfst is begonnen en een enkele boom steekt al vuurrood af tegen een gele achtergrond. Een indrukwekkend beeld, deze kleurencompositie. De tragische en tegelijk vredige uitstraling maken vermoedelijk dat ik zo verliefd ben en blijf op dit landschap.
En ouderwets verliefd voelde ik me weer deze tocht. Dat gevoel (pubers spreken van vlinders in de buik; voor mij heeft het meer te maken met een donzen leegte in mijn hoofd) ontstond vooral door het mooie weer de eerste vier dagen van de tocht. Eindelijk geen strijd meer met de elementen (de wind, de regen). Rustig kon ik genieten van de bergen. Hun grilligheden, hun bekoorlijkheden. Ik liep er op zo'n kleine duizend meter hoogte. Dat is hier, in Midden-Noorwegen, waar de boomgrens al op vijfhonderd meter ligt, hoog. Zelfs de vegetatie begint te wijken en het kale graniet komt bloot te liggen. Bij droog weer loopt dat heerlijk, die golvende platen, die smalle ruggetjes. Bij regen echter moet ik ze mijden, spekglad zijn ze dan.
Slechts enkele verstoringen, enkele onrustige buien. Je kent ze wel, die buien die thuis vrijwel altijd hoofdpijn met zich mee brengen. Ineens had ik het gevoel dat mijn moeder is overleden. Een dag later was het mijn vader. Bij dit laatste werden de beelden zo sterk dat ik me niet langer kon concentreren en de wandeling moest onderbreken. Een half uur keek ik stil voor me uit. Het rustige en tegelijk sombere zwart en grijsgroen van de berghelling nam mijn verwarde beelden langzaam in zich op. Ik wachtte net zo lang totdat ook het gedicht van Judith Herzberg gesmoord werd en haar klanken verloor. Het is een gedicht -het heet geloof ik ziekenbezoek- dat ik al jaren met me meedraag, telkens als ik aan mijn vader denk. Het gaat ongeveer als volgt: "Mijn vader had een lang uur zitten zwijgen bij mijn bed. Toen hij zijn hoed had opgezet zei ik, nou dit gesprek is makkelijk te resumeren. Nee zei hij, nee toch niet, je moet het maar eens proberen." Je kent mijn vader, ik neem aan dat je deze woorden, die een stilte uitspreken, kunt waarderen. Ik vind het fijn om samen met hem, zwijgend, naar de TV te kijken. Meestal begint mijn moeder een gesprek; die zwijgzame momenten blijven daardoor zeldzaam.
Nu sterven er op vakanties in mijn gedachten altijd nabije vrienden en familie, maar nog nooit waren de gedachten zo sterk. Sinds mijn ouders in het verzorgingstehuis wonen, begin ik ze als oude breekbare mensen te zien. Daarvoor waren het toch altijd mijn ouders, dat wil zeggen mensen die per definitie onverwoestbaar zijn. Omdat ze er altijd al waren, kunnen ouders niet dood, ook al weet je beter. Barthes heeft daar in het Plezier van de Tekst een mooie passage aan gewijd. De lezer kan onophoudelijk zeggen: "ik weet wel dat het maar woorden zijn, maar toch. Ik weet en ik weet niet, ik doe tegenover mezelf alsof ik niet wist: ik weet heel goed dat Oedipus ontmaskerd, dat Danton geguillotineerd zal worden, maar toch."
Die dag moet ik door ondoordringbare bush, ik kom geen stap vooruit. Ik vlucht het dal uit en klim hoog tegen een steile helling op. Door een kleine nis klauter ik het dal uit en vervolg mijn tocht over de bergkam. De kam die me de volgende dagen in de mist zou vasthouden.
Door het oponthoud in de mist besluit ik de tocht in te korten. De geplande tocht doorkruist een breed bewoond dal. In plaats van het dal over te steken en weer het gebergte in te gaan, besluit ik te gaan liften, linea recta naar Gäddede in Zweden. De bewolking ziet er nog steeds dreigend uit en ik kan het me niet permitteren nog eens enkele dagen in de mist vast te komen zitten.
Ik was nog niet op de weg aangekomen of een buschauffeur stopt. Hij had net een lading schoolkinderen afgezet en ging nu naar zijn huis, zeven kilometer verderop. Dat schiet lekker op. Ik was nog niet uitgestapt of een postbode stopt en helpt me de volgende veertien kilometer te overbruggen. Op een T-splitsing aangekomen buigt hij weer richting Noorwegen terwijl ik rechtsaf naar Zweden wil. Een bord geeft aan dat vijf kilometer verderop een gjestegård ligt. Ik besluit naar deze camping te lopen. Prima douches. De volgende dag is het nog dertig kilometer naar Gäddede. Al snel neemt een taxichauffeur me mee. Hij is evenals de chauffeur de dag daarvoor op weg naar huis, na eerst kinderen naar school gebracht te hebben. Hij brengt me tot vijftien kilometer voor het dorp. Ik besluit niet verder te liften en het laatste stuk te lopen over een beboste berghelling. Ik kan een langlaufpad volgen. Een plezierige wandeling over een uitgezette route, dat schiet lekker op. Eenmaal in Gäddede aangekomen word ik begroet door een vrolijk getinkel. Vrijwel ieder huis heeft een vlaggenmast met in de top een wimpel; de koorden zwiepen lichtjes tegen de aluminium mast.
Morgen schrijf ik je verder. Over een kwartier vindt de laatste buslichting van deze dag plaats en ik wil graag dat deze brief je zo snel mogelijk bereikt. Niet dat het er wat toe doet. Ik weet dat we beiden ver weg en onbereikbaar voor elkaar zijn. Ik weet, maar toch...
Liefs
Frans
¶
Gäddede, 27 augustus 1992
Kära R.
Vanmorgen heb ik alles in orde gemaakt voor de derde en laatste tocht. Alle kleren zijn weer gewassen. De schoenen zijn weer goed ingevet en ikzelf zie er ook weer betamelijk uit. Eergisteren, toen ik bij Guslia de bergen uitliep, twijfelde ik of ik nog wel aan een derde tocht zou beginnen. Drie weken wandelen in de bergen is eigenlijk wel lang genoeg. Met het weer (dat nu redelijk goed is) veranderde ook mijn mening.
Als toetje een derde tocht, een tocht langs gebaande routes. Dat is minder zwaar en tegelijk weer wat anders. Bij de plaatselijke Svenska Turistföreningen heb ik nieuwe kaarten gekocht. De oorspronkelijk geplande tocht naar Tärnaby bewaar ik voor een volgend jaar. Ik ga naar Borgafjäll, een tocht van ongeveer 120 kilometer, landinwaarts Zweden in. Ik verwacht vrij hoge bergruggen doorsneden door brede met dwergberken begroeide dalen. Ik ben benieuwd. Als je gewend bent je eigen weg te gaan, dan is lopen over een gemarkeerd pad al snel vervelend. Na iedere tiende paal, kruis of verfstip, weet je dat er weer tien komen en daarna nog eens tien en zo verder. Dat heb je niet als je je eigen route uitzet. Soms is het een col waar je naar toe loopt, soms volg je een rivier, dan weer loop je naar een meer, een markant rotsblok etcetera.
Voordeel van een uitgezette route is dat je meer tijd hebt om van de omgeving te genieten. Ik ben nu heerlijk uitgerust en tevreden gestemd. Zodra ik weer in Zweden kwam en de Zweedse taal hoorde, voelde ik me weer rustiger. Alsof je na een vermoeide reis thuis komt. Misschien moet ik het geheim van Noorwegen nog ontdekken, haar tedere plekken. Maar tot die tijd blijft het voor mij vaak een buitenland.
De rugzak is weer iets lichter. Het boek Malina is Onder de Stolp achterna gegaan. Dit keer heb ik minder wroeging omdat ik thuis in Nederland een eerste druk van de vertaling in de kast heb staan.
Het is een fascinerend boek. De vertelster heeft geen naam. Aan het begin introduceert zij zichzelf: "Ik: Oostenrijks paspoort, afgegeven door het ministerie van Binnenlandse zaken. Gelegaliseerd bewijs van staatsburgerschap. Ogen br., haar bl., geboren in Klagenfurt, volgen data en beroep, tweemaal doorgehaald en opnieuw ingevuld, adressen, driemaal doorgehaald, en in correct handschrift daarboven: woonachtig Ungargasse 6, Wenen III."
Het is een boek van het ogenblik, de tijd is die van vandaag. Het is (vooral daardoor) een boek over liefde, waarbij tegelijk de angst, de onzekerheid, de dood, het hachelijke van het moment overheerst. Die woorden horen, hoe pijnlijk ook, zeer dicht bij elkaar. Wat is liefde anders dan on-zekerheid, on-bestendigheid, kortom een ogenblik?
De vertelster kent geen lineaire tijd, geen verleden en geen toekomst. De kleinste gebeurtenis is absoluut en beheerst haar volledig. Voor de vertelster is zelfs 'vandaag' te opwindend, te mateloos, te aangrijpend.
Bij Barthes onttrekt het genot zich aan de lineaire tijd: ze is zonder doel, ze is het tegenwoordige, het ontijdige. Zou de liefde daarom zo bedreigend zijn, omdat ze het fundament van onze maatschappij, het lineaire tijdsbesef, aantast? De lineaire tijd is voor onze maatschappij essentieel, zonder dat is er geen productie van goederen en diensten. De liefde nu, de extatische liefde, kent met name de ervaring van de tijd als ogenblik. De liefde vindt haar waarde niet in een verder liggend, buiten haar zelf gelegen doel, maar juist in het ogenblik waarin zij plaatsvindt.
Tussen de vertelster en Ivan is er liefde; ze drinken de woorden van elkanders lippen. Ivan laat haar (weer) spreken, geeft de aanzet tot een vertelling, steeds weer nieuwe aanzetten (en ook nooit meer dan de aanzet... want daarna dreigt het verhaal en is het uit met de liefde).
"Ook al is Ivan stellig voor mij geschapen, toch kan ik nooit alleen aanspraak op hem doen gelden. Want hij is gekomen om de medeklinkers weer vast en duidelijk te maken, om de klinkers weer te openen en ze hun volle klank te geven, om de woorden weer over mijn lippen te laten komen, om de eerste verstoorde verbanden te herstellen en de problemen uit de weg te ruimen, en daarom zal ik geen duimbreed wijken, ik zal onze identieke, helder klinkende beginletters, waarmee wij onze briefjes ondertekenen, op elkaar afstemmen, over elkaar heen schrijven...
...Hoe dan ook hebben we een paar eerste groepen van zinnen veroverd, het dwaze begin en einde van zinnen, halve zinnen, omgeven door het aureool van wederzijdse toegevendheid, en de meeste ervan zijn tot nu toe telefoonzinnen."
De liefde, de mateloosheid van het ogenblik, is onhoudbaar.
Gelukkig is er een Malina die zorg draagt voor de continuiteit. Zijn handelen is rationeel. Hij gaat 's morgens naar zijn werk, betaalt de gas- en lichtrekeningen. De vertelster komt aan dat soort zaken niet toe.
De vertelster en Malina, zij zijn twee en een. Malina is het alter-ego van de vertelster. Hij is de verbeelding van de rationaliteit, afgezonderd in een apart persoon om het vloeiende van de emotionaliteit oeverloos te kunnen laten zijn. Malina is daarmee tegelijkertijd wreed -hij onderbreekt het vloeiende, onderbreekt de vertelling- en reddend -hij is de inbedding die nodig is om de vertelling vorm te geven. Het boek schetst daarmee een onoplosbare paradox.
Sommigen willen het boek zien als een oorlog tussen de seksen. Zij maken van Malina een man die de vertelster onderdrukt en smoort. Ik zie deze oorlog niet. Een oorlog veronderstelt twee partijen, twee of meer verhalen die tegenover elkaar staan. In Malina vormt de taal van de vertelster de ongepaste -gescheiden- doorgang van een andere taal door de strijd van de verhalen heen. Haar taal is een kwetsbare taal, een taal die nog voordat ze hoorbaar is ten ondergaat in het gedreun van de verhalen, van de gestolde talen. Een taal ook die zich tegelijkertijd geheel en al onttrekt aan die verhalen. Het is een onthechte taal, het is de liefde die kortstondig doorbreekt.
De liefde zal altijd eens afgelopen zijn want het is ook voor geliefden onmogelijk om langere tijd de extase van het ogenblik te leven, om langere tijd buiten de maatschappelijke orde en dus buiten de lineaire tijd om te leven.
Het boek eindigt met de zin:"Het was moord." De vertelster raakt uiteindelijk het ogenblik kwijt, verliest het vluchtige, ze stolt, ze raakt gevangen in de muur: "Ik ben naar de muur gelopen, ik ga de muur in, ik houd mijn adem in. Ik had nog een briefje moeten schrijven: het was niet Malina. Maar de muur opent zich, ik ben in de muur, en Malina kan alleen de scheur zien die we allang gezien hebben. Hij zal denken dat ik de kamer ben uitgegaan. De telefoon gaat, Malina neemt op, hij speelt met mijn zonnebril en breekt hem...
...verscheurt een paar brieven en gooit mijn testament weg, alles belandt in de prullenbak. Hij laat een buisje met slaaptabletten tussen de papiersnippers vallen, zoekt nog iets en kijkt om zich heen, hij schuift de kandelaar nog verder weg en verstopt hem ten slotte, alsof de kinderen er ooit nog bij konden, er is iets in de muur, het kan niet meer schreeuwen, maar het schreeuwt toch: Ivan!...
...Stappen, aldoor Malina's stappen, steeds zachter, nog zachter, hij staat stil. Geen alarm, geen sirenes. Er komt niemand te hulp. De ambulance niet en de politie niet. Het is een heel oude, heel sterke muur, waar niemand uit kan vallen, die niemand kan openbreken, waar nooit meer een geluid uit kan doordringen.
Het was moord."
Malina is geen gemakkelijk boek. Ik ben blij dat ik, voordat ik eraan begon thuis enkele beschouwingen over het boek heb gelezen. De voorkennis dat Malina een alter-ego is van de vertelster geeft een heel andere startpositie bij het lezen van het boek. Anders zou je te gemakkelijk in de verleiding komen er een tegenstelling tussen man en vrouw, een tegenstelling tussen het vaste rationele en het vloeiende emotionele in lezen. Deze tegenstelling kon ik nu vermijden. De oppositie kon zo worden vermeden en de paradox kon intact blijven.
Sommige elementen van het boek lijken op het wandelen. Ook het wandelen kent (na verloop van tijd, na het afschudden van de verhalen van thuis, van het werk) de tijd van het ogenblik. De tijd waarin, althans voor mij, de woorden geen houvast meer vinden. Ze gaan -als ze niet geheel verdwijnen- vrij rondzweven, ze gaan dwarrelen. Soms gaan ze met elkaar korte liaisons aan. Gelukkige verbindingen, nieuwe betekenissen ontstaan. Net als in een droom waarin beelden op onverwachte wijze gemonteerd worden (het ogenblik is kort want al snel wordt het teveel, en slaat een uitbundigheid om in chaos of ontstaat er een dreigend verhaal, de ontaarding van een nachtmerrie).
Gelukkig is er steeds op tijd die dominante ander, het luie Ik, die roept dat het tijd is voor een pauze, die aanzet tot een dagelijkse handeling zoals koffie zetten en daarmee de dag structuur en veiligheid geeft. Kortom het rationele ik dat het (tijdloze) ogenblik doet vervliegen en het tegelijk veilig inbed in de lineariteit van de wandelroute (en daarmee zijn tijd, dat wil zeggen zijn plaats geeft).
Meer dan de vertelster in het boek Malina, die uiteindelijk verstart, ben ik bij mezelf in veilige handen. Ik kan, zoals je laatst terecht opmerkte, niet eens mijn horloge thuislaten!
Hjärtliga hälsningar, kusjes en tot ziens
Frans
¶
Dorotea, 2 september 1992
Lieve R.
De buschauffeur was zo vriendelijk van zijn gebruikelijke route af te wijken en zette me pal voor het hotel af. Ik was de enige passagier die met hem vanuit Borgafjäll, hier honderd kilometer vandaan, naar Dorotea reisde. De overgang is groot. Vanmorgen werd ik nog wakker in mijn tentje; een tent die de avond daarvoor haastig aan de rand van een moeras tussen enkele bomen werd neergezet. Moe en nat van al de regen.
Nu zit ik, na een verfrissend bad, achter een schrijftafel in een meer dan overdadig appartement. Op de achtergrond wat zachte muziek van TV 1. Ik geur overdadig naar luxe zeep.
Bij de receptie keken ze me enigszins verbaasd en lichtelijk verstoord aan. De baliemedewerkster vroeg of ik wel aan het goede adres was. Ik zag er kennelijk nogal wild en ongeschoren uit, gehuld in smerige wandelkleren en daarbij nog een rugzak die onbehouwen op de grond werd gesmeten. Met het noemen van de prijs (250,- per nacht) probeerde ze me nog af te schrikken. Pas mijn creditcard stelde haar gerust.
Mijn laatste wandeling zit erop en als je deze brief leest, hebben we elkaar vermoedelijk alweer omhelsd. De herfst is nu in alle hevigheid losgebarsten. Borgafjäll, een klein skidorpje midden in de bergen was omgeven door een horizon van schitterende kleuren. Het groen van de in het dal groeiende sparren; het goud van de daarboven gelegen dwergberken, het paars van de moerassen en tenslotte het witgrijs van de bergtoppen, van het kale graniet. Ik had daar nog wel maanden willen blijven. Iedere dag het kleurenspel aanschouwen, de eerste herfstsneeuw begroeten. In alle stilte de rest van de wereld vergeten. Maar nee, ik begin weer aan het sociale bestaan. Daarstraks al, een plezierige conversatie met de vriendelijke serveerster die me een zeer toepasselijke maaltijd voorzette: Vildmannspanna. Stukjes rendier- en elandenvlees, gebed in verschillende soorten wilde paddestoelen. Dit alles opgediend in een gietijzeren pan. Als toetje opgewarmde hjortrons met ijs.
Deze tocht was ondanks de veelvuldige regen heel gelukkig. Al de eerste dag raakte ik in een bijna euforische stemming. Dromend liep ik rond door de bossen en moerassen. Hier en daar vond ik weer een woord. Mijn kleine notitieboekje vulde zich met kleine tafereeltjes. Ik was weer thuis.
Ik zou de notities uit moeten werken, er een klein verhaaltje van maken. Vanavond kom ik daar niet aan toe. Ik volsta ermee ze kaal te presenteren. Daarna kruip ik voor het eerst sinds weken tussen de lakens. De TV aan mijn voeten.
Wat ontbreekt is de film Tampopo van de japanner Iso Itmai, een film over erotiek en eten (en regen); thuis zal ik de band gaan bekijken, daarna volgt -op dezelfde band- Babettes Gaestebud van Gabriel Axel, een onovertroffen film over een feestmaal dat wordt aangericht in een zwaar calvinistisch dorp. Het genoegen van lekker eten.
§
Zweden verdubbelt zich in zijn meren. Bij windstilte zie je de lucht, de bomen, de rotsen twee keer. De tweede keer diffuser, het licht gebroken door de golvingen in het water. De kleuren lopen in elkaar over, krijgen hun dromerige glans. Een klassiek beeld. Een land dat verliefd is op zichzelf, in zich zelf gekeerd. Zouden de Zweden zelf (niet de regering) daarom zo'n moeite hebben met de toenadering tot de EEG.
§
Ik loop weer aan de goede kant van de waterscheiding. De bergen zijn hier in Zweden verlokkender dan in Noorwegen. Achter deze bergen de eeuwige bossen en (als je de ruwe werkelijkheid van de bosbouw kunt wegdenken) de verhalen over elven. Achter de Noorse bergen daarentegen ligt Norskehavet, de Noorse Zee, het kille water.
§
Ik loop, volg de markeringskruisen. Vervolgens mis ik een 'afslag' en volg een verkeerd spoor. Door de markeringen let ik niet meer op waar ik loop. Ik loop te droomwandelen, de gedachten dwalen vrij rond, de pas vervolgt automatisch zijn weg, de ogen signaleren slechts of er kruisen zijn, niet waar ze naartoe leiden.
Zo ook met het lezen, soms, je ogen volgen de tekst, je gedachten dwalen elders. En toch neem je de tekst op, zij het dat je de wendingen mist, je danst alleen nog mee op het ritme van de letters.
§
De wolken hangen laag en beroeren af en toe mijn wang. Als een vochtige kus. Een koude kus weliswaar, maar brandend van genoegen. In de film 9½ weeks laat Nick Rourke een ijsblokje glijden over de huid van Kim Basinger. Haar navel wordt een klein bergmeertje.
Of het erotisch of vervelend is hangt af van de felheid. Jachten de wolken, opgejaagd door de wind, dan is het naar, en stel je je huid niet bloot. Is er vrijwel geen wind en loop je wisselend in en onder de wolk, dan is de aanraking vol van een erotiek waar het gehele landschap deel aan heeft door zich wisselend te laten zien en zich aan het zicht te onttrekken. Dan weer is het grijsgroen en grijs, dan weer schitteren de herfstkleuren.
§
Hier kun je de stilte zien in het rimpelloze meertje. In Nederland altijd dat lawaai, het geruis van mensen met hun machines, hun woorden.
§
Zweden is zo anders dan Noorwegen, althans in mijn ogen.
Zweden is meer open, kent brede dalen. Grote alleenstaande bergen met steile flanken. Een landschap, kortom, met een zeer duidelijk profiel. Je loopt van dal naar dal. Bij iedere col opent zich een nieuw panorama. Zweden is open en tegelijk knus (voor mij). Noorwegen niet. Dat is grillig, rommelig, kleine heuvels en ravijnen hinderen.
In Noorwegen schapenteelt. Hier in Zweden lopen de rendieren. Schapen, het woord is voor mij verbonden met woorden als bang, volgzaamheid. Als ze wegrennen zijn het ook zeer onelegant hobbelende wolzakken. Rendieren daarentegen bergen in zich woorden als zelfstandig, eigenwijs, schrander, elegant. Ze lopen met opgeheven hoofd van je vandaan.
Hoe veel mooier is het in het land van de rendieren te vertoeven dan in dat van de schapenteelt.
Zweden zet me tot schrijven aan, ook al stokt de tekst na enkele woorden. Noorwegen niet: de gedachten vloeien zonder uitgesproken te zijn weer in de diepte van de oceaan.
Ik moet zeggen, mijn blik is vertekend, bevooroordeeld. Ik loop hier in een Zweeds land dat getooid is met de vurige gloed van de herfst.
§
Het tentje staat op een vlak stukje gras. Het uitzicht is weids. Aan de horizon bergtoppen. De zon schijnt. Naast me een babbelend beekje. Om me heen cirkelt een rendier met haar jong. Zij is verbaasd en verstoord. Vanuit alle windhoeken beruikt ze me. Ze vraagt: waarom ga je niet weg? De cirkels worden steeds kleiner. Dichtbij graast ze -oplettend- met haar jong. Het gelukkige moment.
§
Hoe te schrijven. Woorden vinden is afstand nemen (afstand als verte maar ook in de betekenis van afstand doen, loslaten). Dit land is me te nabij, en toch...
Het zou toch mogelijk moeten zijn om iets of iemand waar je verliefd op bent te hullen in een waterval van woorden. In de hoop dat de ander het gulzig drinkt? Sprekend kussen, het gestamelde lichaam van Roland Barthes.
Misschien, zoals dat rendier met haar jong moet ik het omcirkelen, het beruiken vanuit verschillende richtingen. Maar zie ik het fjäll dan niet als gevaar? etc. etc.
§
Zweden, de mensen zijn aardiger omdat ik dol ben op hun taal. Qua klank en melodie is het een vreemde doch opwindende taal, de woorden zijn nabij mijn eigen spraak. Heel anders dan bij het Frans waar de woorden me vreemd blijven.
§
Ik ga hier weg, omdat ik weet dat ik terugkom
Tot zover mijn kleine aantekeningen. Ik zou dit ruwe ongepolijste materiaal moeten bewerken. Hier in dit landschap zou dat nog kunnen. Opgesloten in een kleine stuga. Je zou dan wel een boekenkist met de meest dierbare boeken moeten komen afleveren.
Omgeven door woorden, de bergen de moerassen, een gelukkige gedachte.
Het fragmentje 'waterscheiding' doet me denken aan een wandeling een aantal jaren geleden. Ik liep naar Sulitjelma, een klein mijnwerkersstadje in Noord-Noorwegen. Aangekomen op de waterscheiding tussen de Oostzee en de Atlantische oceaan: blokken, rotsen, stenen, wanordelijk door elkaar. Mistflarden en resten sneeuw. In deze chaos van vormen was het vrijwel onmogelijk de weg te vinden. Op rotsen geschilderde T's boden hulp. Het regende en het was verraderlijk glad. Ik ben verlaten op die markeringen na.
Op die dag vormde zich een artikel in mijn hoofd. Met als thema wandelen zoals je leest en lezen zoals je wandelt. Op die waterscheiding was het wandelen als het lezen in Ulysses of in Finnegans Wake. Zonder hulp ben je verloren. Je dwaalt tussen al die tekens zonder dat je iets begrijpt. Betekenissen komen en gaan, stapelen zich op zoals het spelletje handjeklap. Wat blijft is het proeven van de woorden. Hun veelvormigheid. Een a-sociaal genot (ik kan goed begrijpen waarom Barthes het genot dicht bij de verveling plaatst: het is verveling als je het ziet vanaf de oever van het plezier -het plezier dat staat voor een meer sociale vorm van genieten, genieten in zin van comfortabel). Je kunt lezen zonder hulp maar deze leeswijze is niet zonder risico. Voor dat het echte gevaar aanbreekt kun je gelukkig het boek dichtklappen en de TV aanzetten. Kun je terugkeren in het comfort van de veilige sociale taal. Helemaal zonder kleerscheuren kom je er overigens niet vanaf: enkele woorden nestelen zich verraderlijk in je spraak.
Een wandeling kun je niet plotsklaps afbreken. Om uit de bergen te komen zal je de tocht moeten voortzetten, een route moeten volgen. Wandelen zonder hulp is zo goed als onmogelijk: je volgt óf een uitgezet spoor óf je laat je leiden door de tekens op de kaart. Doe je geen van beiden dan ben je verloren.
Er is nog een andere leeswijze, een andere manier van wandelen. Lezen aan de hand van kritieken, recensies, studies enzovoort. Wandelen langs gebaande paden. Het onverwachte, het gevaar blijft niet persé uit. Integendeel. De aangename verrassing na de smalle canyon bij Snåsa was pas mogelijk door het volgen van een eeuwenoud pad.
Na het lezen van Sade, Fourier, Loyola van Roland Barthes krijgen boeken van Sade een zeer onverwachte wending. Het geweld bij Sade -die tegenpool van Rousseau- schuilt niet alleen in zijn voorstellingen: het geweld bestaat vooral uit een vermenging van talen (het religieuze en het pornografische bij voorbeeld), bestaat uit een verwarring van stijlen (het pornografische gevat in zeer juiste schoolzinnen).
Ik denk dat beide leeswijzen zich moeten afwisselen. Een ritme moeten vormen. Een hand in hand gaan van plezier en genot. Het is het ritme, het moment waarop het lichaam zijn eigen gang gaat (en waarbij op tijd het koppie de teugels weer in handen denkt te nemen).
Ik denk dat dan een erotiek mogelijk is. Zowel in het lezen als in het wandelen. Het vinden van zo'n ritme is, net als de liefde, een kunst.
Lieve R. ik vraag me af of ik thuis dat artikel zou kunnen schrijven. Schrijven tussen de vele wandelfragmenten en de vele boeken in mijn kast. Schrijven in de marge van de woorden die wij uitwisselen, schrijven in de marge van de kleine erotische genoegens, het eten en drinken. Schrijven......
Ik ben bang dat ik me thuis in Nederland weer zal moeten overgeven aan de dagelijkse schrijverij. Teksten -brieven, notities, nota's, memo's, adviezen, handreikingen, rapporten, overzichten- met een schijn van transparantie, met de schijn van communicatie en tegelijk de dwang tot eufemismen waardoor ieder woord open staat voor ieders belang. Een gewelddadig en tegelijk droevig spel. Woorden mogen er niet schitteren, mogen niet vlammen. Het ene woord verschuilt zich achter de ander, het ene woord wil nog grijzer zijn dan de voorgaande. Als een gigolo laat ik me gebruiken. Vrijwillig doch goed betaald. De prijs is dat het schrijven stokt, de hand in een kramp raakt. Alsof je na zo'n werkdag niet meer tot onbetaalde hartstocht in staat bent.
Gelukkig is het nog niet zover. Morgen begin ik met een rustige reis naar het verre Zuiden. Eerst met de bus naar Östersund, hier tweehonderd kilometer vandaan. Daarna een middagje lekker stappen, winkels en bovenal mensen bekijken. Met de nachttrein vervolgens naar Göteborg. Ik wil daar proberen een grote wandkaart van Scandinavië op de kop te tikken. Daarna met de middagtrein naar Köbenhavn om vervolgens met de nachttrein naar Utrecht te reizen. Kortom een rustige en vooral aarzelende reis naar huis.
Liefs
Frans
©augustus/september 1992
Noot:
De in deze brieven opgenomen fragmenten zijn afkomstig van:
- Roland Barthes, Barthes door Barthes
- Sylvia Plath, Onder de glazen stolp
- Ingeborg Bachman, Malina

