Versteende teksten in een open landschap

§

De talen, de verhalen, de stemmen in me doven, één voor één, zoals de kapelaan na de mis de kaarsen dooft. Totdat in die leegte alleen een gedruis overblijft, dat van het water dat de stenen slijpt, dat van de wind die zich tegen het land wrijft. Nieuwe klanken zouden zich kunnen vormen. Gebabbel dat zou opwellen uit een stroomversnelling, ijle vioolklanken die zich zouden vormen in het gebladerte van een berk. Klanken die zouden stollen tot de weinige woorden, voldoende om deze geschiedenis te vertellen.

Langzaam ontwaak ik uit die droom, deze illusie, en zie ik de verkrampte vingers lijnen op het papier zetten. Grillig, zoals het lage struikgewas in het fjäll, Svårframkomligt område pga tät vegetation (door de vegetatie moeilijk begaanbaar terrein). Ik zal de woorden moeten zoeken en bewerken: woorden uit de aardrijkskunde, filosofie, kunst, literatuur, fotografie, de alledaagse taal. Zoekend in dat duistere geheugen waarin woorden zo moeilijk hechten. Slechts ondersteund door de spaarzame woorden die ik in mijn rugzak meevoer: Emily L. van Marguerite Duras ('op dat moment moet je wat je wilt schrijven er ook uitgooien, het mishandelen bijna, ja het mishandelen'), en een enkel gedicht van Paul Celan ('Waar ijs is, is koelte voor twee').

Duras, een getrouwe reisgenoot. Al jaren gaat er een boek van haar mee naar het Noorden. Liefdesgeschiedenissen, die van de liefde die onhoudbaar, onmogelijk en hartstochtelijk is.

Zou haar taal de taal van deze geschiedenis kunnen zijn? Een liefdesgeschiedenis. Een wandelaar die verloren loopt. Genietend. Geborgen in de plooien van het landschap. Op zoek naar luttele woorden. Breekbaar en onzeker.

 

§

Ik denk dat het pas als het in een boek staat geen pijn meer zal doen... dat het dan niets meer zal zijn. Uitgewist zal zijn. Ik zie dat ook met de geschiedenis die ik met U beleef: schrijven is ongetwijfeld ook dat, het is uitwissen. Vervangen.

 

§

De lucht trilt van de hitte. Tegenover me, aan de andere oever van het bergmeertje, grazen vier rendieren. De oudste kijkt regelmatig op, weegt me met zijn blik. Niets alarmerends. De benzinebrander snort, de koffie is bijna klaar. Voor een moment heb ik hier op deze bergvlakte mijn thuis gevestigd. Aan het eind, nu nog onzichtbaar, versmalt de hoogvlakte tot een dal. Daar zal ik voor de nacht de tent neerzetten. Aan weerszijden en haaks op deze vlakte bevinden zich de afgestompte bergruggen. Witgrijs; als walrussen die in de zon liggen te baden.

Tussen de mossen en grassen liggen stenen, brokken rots. Losjes verspreid, zoals de pepernoten die zwarte piet met gulle hand in de huiskamer heeft rondgestrooid. Vriendelijk en verliefd, voel ik me. Een walrus knippert met de ogen.

Ik ben weer thuis. Onderweg en toch geborgen. Hoewel, de maat van deze ruimte is niet te vatten, het ritme van de tijd is me onbekend. Ook zal ik hier niet lang verblijven, drie weken slechts, want dit thuis is uitputtend en zal uiteindelijk onbewoonbaar blijken. Het bestaat als afwisseling (en bevestiging) van dat andere thuis, dat van m'n vrienden en vriendinnen. En toch dat onbedwingbare gevoel, al op de boot van Helsingör naar Helsingborg: ik ben weer thuis.

'Het is niet dat je ergens moet komen, het is dat je weg moet van de plaats waar je bent', schreef Duras in de Minnaar.

 

§

De wolken jachten over het meer. Op een klein eiland staat mijn tent. Het eilandje is met houten hangbruggen verbonden met andere eilandjes. Op deze wijze wordt een verbinding tussen de beide oevers van het nu onstuimige meer gevormd. Een parelketting. De wind scheurt het eentonige grijze wolkendek open waaruit nu al twee dagen onophoudelijk de regen valt. De zon verschijnt.

De nat geworden kleren worden aan een lijn te drogen gehangen, wild wapperend.

In dit fjäll verschuiven de conventies. Niet langer zijn de opposities schoon/vuil en passend/niet-passend van belang voor de keuze van de kleding. Deze zijn ingewisseld voor de oppositie droog/nat. Ach nee, hier valt niets te kiezen. Er is maar één broek, één bloes, één windjack, één paar laarzen.

 

§

Het dal is breed en open. In het midden een wit lint, de slingerende rivier; aan de oevers de drassige vlakten, moerassen; verderop tegen de berghelling aan weerszijden van het dal een smalle strook bomen, berken veelal; hogerop de met grassen en stenen bedekte hellingen. Aanvankelijk veel grassen, mos en heide, daarna alleen nog de met korstmossen begroeide stenen en kale rotsplateaus. Het pad voert langs de moerassen. Zij zijn veelkleurig. Weelderig.

Iedere vochtigheid van de grond kent zijn eigen vegetatie. Iedere vastheid van de grond, of het ontbreken ervan heeft zijn kleur. De stap wordt geleid door deze kleuren. Bakens.

 

§

Wat mij verhindert te schrijven, dat bent u. U bent daar erg verdrietig om. Omdat u niet schrijft. U schrijft niet omdat u alles over deze zaak, deze tragische zaak weet, schrijven, dat te doen, of dat niet te doen, niet schrijven, er niet toe in staat zijn, u weet er alles van. Omdat u een schrijver bent schrijft u niet. Dat kan gebeuren.

 

§

Er zijn twee soorten wind: de wind die lispelt in m'n oor, die het land zijn stemmen geeft en de wind die buldert, die me probeert weg te vagen.

De zwervende wind, mild, is een nabije vriend. Vriendelijk vleit hij zich tegen het tentdoek en geeft het een stem. Vrolijke klanken van de berken, of het gesuis van een steen. Zachtjes fluistert de wind zachtmoedig de woorden die ik zoek. Vluchtig.

Tot het moment dat de wind zich verzamelt, standvastig wordt en zich tegen me keert. Wild zoekend naar de warmte die hij wil winnen. De wind jaagt de wolken over de helling. Fijne regen, verijsde speldeprikken teisteren m'n gezicht. Voorzichtig, de rotsen zijn door de regen glad, klim ik voort. De muts diep over de oren, een das bedekt mond en kin, wollen handschoenen omhullen de handen, onder het windjack het poolvest: geen streepje huid dat zich onnodig blootstelt. Vlak onder de top, de wind rukt en trekt, wordt de kracht van de wind te groot. De druk op m'n lichaam en rugzak kan ik niet langer weerstaan. Ik laat me vallen, om te voorkomen dat ik van het vrijwel onzichtbare pad word geblazen, en vind beschutting achter een steen. De wind buldert hatelijk en probeert me weg te vagen. Geen gelispel, maar een oorverdovend gesuis. De wind giert door het frame van mijn rugzak, een onheilspellende geluid. Ik dek mijn oren helemaal af. Ik voel me verlaten (en verraden) door de alom aanwezige wind. Troosteloze mistflarden. Na een moeizame afdaling geeft een kleine hut ter grootte van een hondehok beschutting. Het geruis van de benzinebrander is zachtjes hoorbaar boven het gebeuk van de wind.

 

§

Met wisselende sleutel

Met wisselende sleutel
ontsluit je het huis, waarin
de sneeuw van 't verzwegene woedt.
Naar gelang het bloed opwelt
uit je oog of je mond of je oor,
wisselt je sleutel.

Wisselt je sleutel, wisselt het woord
dat woeden mag met de vlokken.
Naar gelang de wind die jou wegstoot,
balt om het woord zich de sneeuw
.

 

§

Het merendeel van de namen in het fjäll zijn afkomstig van de taal van de Samen. De plaatsnamen beschrijven het terrein, vertellen hoe het gebied er uit ziet, welke vorm een dal heeft. Evenals de eskimo's vele woorden hebben om sneeuw te duiden, zo hebben de Samen ook vele woorden voor de bergtoppen en dalen.

Fiellatjåkkå bijvoorbeeld is de bergtop met de naam Fiella. Fiellavagge, is het U-vormige dal van de Fiellaberg, Fiellakårså zou, als het bestond, een ravijn van de Fiellaberg zijn. Aan de naam kan ik zien of het gebied voor mij toegankelijk is of niet.

 

§

Mijn weg voert me steeds hoger tegen de berghelling. Achter de helling, verscholen tussen steile bergwanden bevindt zich de gletsjer. Een diep gekoesterde wens zal weldra vervuld worden. Een zin van een gedicht van Celan spookt voortdurend door mijn hoofd: 'Waar ijs is, is koelte voor twee'. Vlak voordat het gletsjermeer zichtbaar zal worden trekt een sneeuwhoen de aandacht. Nerveus loopt ze heen en weer. Een poging tot verleiding, opdat ik mijn richting zal veranderen. Een moment later maken vijf jongen zich los van de wand. Liever verkozen ze het luchtruim dan de beschutting achter een of andere steen. De hoen blijft me aankijken tot ik uit het zicht verdwijn. Nog een laatste stap en daar zie ik het meer, gevuld met de zeegroene gletsjermelk. Een gletsjertong strekt zich uit over de berghelling tot aan dit water. Op een kleine kilometer van de gletsjer zet ik mijn tent op. Vlak naast het meer. Ik drink van de melk.

Bepakt met een lichte rugzak met wat proviand en mijn fototoestel loop ik rond het meer tot aan de gletsjer. Wildspattend smeltwater, ondoorzichtige riviertjes en gletsjermorenen bestaand uit puin, grind en rolstenen belemmeren de weg. Na een moeizame tocht bereik ik de trage ijsstroom. De zijkant is vuilgrijs van de modder en het zand. Hoog en onbereikbaar torenen de ijstorens boven me uit, kris kras door elkaar. Door een knik in de berghelling is de ijsrivier aan alle kanten gebarsten. Diepe spleten in een lichtblauwe gloed. Betoverend, naakt en vuil ligt ze daar. Stil en ongenaakbaar. Als een danseres van de japanse sutorippu laat ze zich bekijken. (De danseres komt naar de rand van het toneel, tot op een paar centimeter van de verhitte hoofden in de voorste rij. Zij hurkt en leunt langzaam achterover, terwijl het publiek zich als één man naar voren buigt, totdat het letterlijk bij haar binnen kijkt. Het publiek is doodstil en kijkt zijn ogen uit.)

De gletsjer zal ik niet beroeren, ik zal haar niet aanraken. Als een japanner bekijk ik haar, en plaats de mechanische en omkaderde blik tussen ons in. Deze eerste ontmoeting liep, zoals bij alle pornografie, na een eerste opwinding op een teleurstelling uit. Verlangen, geen plezier. 's Nachts maakt ze me wakker. Een hevig gekraak. Het lijkt op dat geluid van een zich openscheurende hemel tijdens een onweersbui. Het gletsjermeer beroert zich heftig. Golfslagen. Ze heeft geroepen. Nu kan ik de gletsjer bezoeken.

's Morgens blijkt een stuk uit de ijsmuur in het water gevallen te zijn. Ik pak de tent in en nog eenmaal kraakt de gletsjer. Ik volg de gletsjerrivier. Een breed lint dat kronkelt door het dal. Aan het eind van het dal draai ik me nog eenmaal om. De gletsjer spant zich nog net zichtbaar, als een boog tussen de beide wanden van het dal. Indrukwekkend en uitdagend. Een verlangen maakt zich opnieuw van me meester. 'Waar ijs is, is koelte voor twee'.

§

Ik zei: Ik wilde u zeggen dat het niet voldoende was goed of slecht te schrijven, mooie of hele mooie geschriften voort te brengen, dat het niet meer voldoende was voor een boek dat je vanuit een persoonlijk en niet vanuit een alledaags verlangen wilde lezen. Dat het ook niet meer voldoende was zomaar te schrijven, iemand te doen geloven dat het volkomen gedachteloos gebeurde, alleen met de hand als gids, evenals dat het overdreven was te schrijven alleen maar met de gedachte daarmee de waanzin de baas te blijven. Dat is te armzalig, die gedachte en die moraal en ook die dingen waar mensen zich het meest mee bezig houden, honden bijvoorbeeld, dat is te armzalig en het valt slecht bij de groep die leest en wil weten hoe de geschiedenis begon, en die bij elke lezing altijd nog minder van de voorgeschiedenis wil weten dan zij toch al niet weet.

§

De eerste tocht nadert zijn einde. Negen dagen loop ik nu door het fjäll, dit open landschap. Al zeven dagen geen mens gezien, op die ene Noor na. Wel zie ik veel rendieren, de enige menselijke maat. Ik nader Noorwegen, die smalle strook tussen zee en hooggebergte. De bergen verliezen hun lieflijke vormen. Steile steenwanden, kale rotsplateaus. Naakt.

In het Graddisdal schrik ik op. Voor me een uitgestrekt rotsplateau, vol scheuren en barsten. Een gebroken spiegel. Pijnlijk. Alles is hier uiteengevallen. Brokstukken rots liggen los op elkaar gestapeld. Even bevangt me een angst, bijna fysiek -die pijn, die het hele lijf doortrekt. Door de onbedaarlijke lach van een trol of een onverhoedse niesbui, zou dit hele land wel eens in zee kunnen vallen. De stenen dragen hier zichtbaar de herinnering aan een verloren gegane vorm. Stenen die zelf weer teloor zullen gaan, fragmenteren in nieuwe vormen. Eindeloos, totdat slechts zand rest. Achter iedere steen gaat een verhaal schuil, een verrassende vorm. Zoals voor Jean-Paul Brisset, die schrijver van gestoorde teksten, in ieder woord een zin, een voorbijgegane gebeurtenis, te beluisteren valt.

Ik daal langzaam af. De eerste bomen, daartussen bergen puin. Een oud en bedaard rendier staart me aan. Een gewei, te groot om te dragen. Hij kijkt me aan, taxeert me, en loopt langzaam door. In mijn richting, niet van plan om opzij te gaan. Dit keer verander ik van richting. Noorwegen, vreemd trollenland.

 

§

Ook 's nachts verandert mijn behuizing, heb ik andere dromen. Lang vergeten dromen. Het decor: steenlandschappen -het fjäll van overdag- en betonlandschappen -'La défense' in Parijs. Landschappen waarin de mens afwezig is en waarin je verloren loopt. Vrije ruimte waarin je geen weet hebt van de weg en een kaart ontbreekt.

Hoe anders zijn de dromen thuis. Die eeuwig voortdurende scènes. De pijn van de vernedering, de verlamming in de armen die niet kunnen slaan.

§

De hand stokt, de woorden vinden geen vorm. Het dal is gevuld met een alles verhullend wit. Slechts vage contouren. De wind trekt de wolken een stukje open. Een straaltje zonlicht valt op het papier. Een gefluisterd woord. Daarna trekt het dek weer samen.

Deze geschiedenis, dit vluchtige bestaan, ik wil er niet over spreken, en toch... Ik wil niets uitwissen, en toch...

De teksten zijn als een rivier na hevige regenval. Gezwollen. Moeilijk doorwaadbaar. Ik word voortdurend meegesleept. Deze teksten zetten de geschiedenis voort? In een ander spoor, met een andere beweging?

 

§

Overal dode berken. Staken die zich tegen de hemel aftekenen. Rottend hout op de grond. Opengebarsten basten. Het stemt mismoedig. Berken. Voor mij symbool van lichtvoetig plezier. In berkenbossen hoor ik altijd het gekwebbel van elfen, luidruchtig en vrolijk, of ontwaar ik een twinkelend oogopslag. Nu, een verlaten front. Herinneringen aan een vergeten film. Stalker van Andreï Tarkovsky: een gids die een wetenschapper en een schrijver een verboden zone binnenleidt.

 

§

Ik zit in de bus van Lycksele naar Hemavan. Het landschap glijdt voorbij. Groen van de bossen, blauw van het water. Veel water. Blå Vagen, de blauwe weg. Ik voel me opgewonden: straks zal ik de bus verlaten en aan de wandeltocht beginnen. Zonder dit vooruitzicht zou ik me triest voelen: het uitzicht is mooi maar lijkt op een reeks traag voorbij glijdende foto's. Een foto sluit af. Niets van wat je ruikt, proeft of beleeft openbaart zich in de foto. Zo ook het uitzicht vanuit de bus: de motor is een geluidsfilter, het raam een windscherm, de stoel fixeert me. Slechts een omsloten en ingekaderde blik resteert.

Foto's, een triest medium. Temeer daar een foto een uitdrukking zou zijn van een buiten haar bestaande werkelijkheid, een afdruk, een weerspiegeling. Vaak ook is ze dat: de foto die onthult, die alles zichtbaar, benoembaar maakt. Schaamteloos.

Dit type foto legt vast en fixeert de herinnering in. De herinnering die zich verschuift, verandert, verdicht, de herinnering kortom die het gebeuren levend houdt. De foto blijft onbeweeglijk, statisch. Zeker is dit de werking van foto's die ingekaderd zijn in een vakantiealbum. Kiekjes. Foto's die blootleggen en daarnaast niets meer zeggen dan: kijk, zie hier het bewijs, ik ben er geweest.

Toch zijn er ook foto's die veel te raden over laten, die niet blootleggen, foto's die het spel van onthullen en verhullen in gang zetten. Foto's die uit hun kader springen, die een nieuwe ruimte openen, die hun eigen landschap maken: raadselachtig, ontoegankelijk, verrassend. Foto's die geen plaats hebben in een album, foto's waarin de kijker verloren rondloopt. Foto's voor wie de omgeving slechts te kneden materiaal is. Om de verleiding van deze foto's te bezweren, noemt men ze kunst.

§

De eerste herfstkleuren beginnen zich al te vormen. In een enkel dal zijn de vurige kleuren, rood en geel, al zichtbaar. Zich mengend tussen de talloze schakeringen groen en bruin. De naderende dood gaat gepaard met dit verblindende vlammenspel. Net zo inspireert de dood componisten tot de meest verbluffende en gevoelige muziek (bijvoorbeeld het Requiem van Mozart, gezongen door Kirkby).

 

§

Rustig wandel ik de pas over, een nieuw dal betredend. In de verte blinkt een witte bergrug. Wit, ten teken dat het leven daar, op die hoogte, ophoudt (is het daarom dat voor Chinezen wit de kleur van de dood is?). Slechts kaal gesteente. Enkele uren later bereik ik deze helling. Voor me uit, zover het oog reikt, alleen los gesteente. Stenen groot en klein. Alle van eenzelfde soort. Dezelfde kleur witgrijs. Alleen de omvang en vorm verschillen. Een steenzee waarin ik zou kunnen verdrinken. Een stortvloed van losse eenvormige woorden. Zonder betekenis. Moeizaam zoek ik een weg, van steen naar steen. Oplettend, zonder een steen te onderscheiden. Slechts een abstracte blik die de plekken aftast waar ik m'n voeten neer kan zetten.

Heel anders is het een dag later, na de nacht aan het Silbejaure -Zilvermeer. Nu geen steenzee maar verspreid liggende blokken, ingebed in het groen van grassen en mossen. Iedere steen fascineert, trekt de aandacht. Grillige vormen, doortekende groeven, een boeiend spel van kleuren en schaduwen. Een veelvoud aan betekenissen dat ontroert. Esthetisch genoegen. Rendieren kijken verbaasd op.

 

§

"Schrijver zijn is dat je het niet weet."

"Nee, niet helemaal, maar het wordt zo vaak gezegd dat er iets van waarheid in moet zitten. Schrijven, dat is ook niet weten wat je doet, niet in staat zijn het te beoordelen, daarvan zit in de schrijver ook een stukje, een scherf die verblindt."

 

§

Tegen de helling van het Nasafjäll, vlak bij de grens met Noorwegen, ligt een verlaten zilvermijn. Men won er zilver en lood. Ontgonnen in een tijd waarin Zweden haar bijdrage aan de 30-jarige oorlog moest bekostigen (het zilver voor de eigen partij en het lood afgevuurd op de tegenstander). Ooit werkten en woonden hier honderd mensen. Enkele ruïnes van een kerkje, een schooltje en een vervallen mijnschacht getuigen hiervan.

Het delven van de onder het oppervlak verborgen metalen ging net als het zoeken naar waarheid met geweld en onderdrukking gepaard. Hoewel de mijn op steenworp afstand (50 kilometer) ligt van de Atlantische Oceaan, moesten de materialen over een afstand van honderden kilometers aan- en afgevoerd worden van en naar de meest nabij gelegen Zweedse haven, Piteå, aan de Botnische golf. Boeren uit de omgeving en Samen werden tegen hun zin gedwongen deze gevaarlijke transporten, over bevroren meren en ondoordringbare wouden, uit te voeren.

Op een gegeven moment vielen de Denen en Noren het gebied binnen, vermoordden de mijnwerkers en vernielden de mijn. Daarna is de mijn nog een keer zonder al te veel resultaat in exploitatie genomen.

Het oppervlak van het Nasafjåll bleef gewond achter. Van een afstand is de mijn nog zichtbaar: een paars litteken steekt af tegen de berghelling.

 

§

De dagen kennen hun vaste ritme. Het dagelijkse ritueel van ontbijt maken, tent afbreken, rugzak inpakken en op pad gaan. De herhaling van de ene voet die zich voor de andere plaatst.

Hoe verloren zou ik me voelen zonder deze in principe eindeloze herhaling. Zij opent voor mij die mythische ruimte, die heden ten dage eigenlijk alleen nog door zwakzinnigen bewoond wordt.

Die ruimte waarin tijd haar economische waarde verliest. Wandelen, dat ronddolen in die mythische ruimte, is ontsnappen aan dat jachtige leven waarin ieder uur me dichter bij de dood brengt. Rust.

 

§

Vandaag is het moment aangebroken dat ik het pad zal verlaten. Niet langer worden mijn voeten geleid door een pad van de Svenska Turistföreningen of een spoor van de Samen. Komende dagen geen gemarkeerde paden. Slechts de plooien van de bergen. Het kompas blijft diep in de rugzak: hier is geen plaats voor een rechte lijn, voor één koers. Geen simulatie van het geweld van de moderne verkeersaders die recht toe recht aan over dalen en door bergen gaan. De weg die onafhankelijk is geworden van het landschap, er niet meer mee samengaat, en die niet anders wil dan de ene horizon met de andere verbinden: van de wereld één universele en rationeel georganiseerde ruimte maken.

Ik vergeet de tijd, vergeet het gewicht van mijn rugzak. Soepel loop ik langs de hellingen. Golvend met het patroon van het fjäll, haar plooien proevend. Er vormt zich geen enkele gedachte, geen enkele wanklank. Uitsluitend het genot hier te zijn, hier te lopen, dit ritme, dit samenspel.

 

§

Het water van de vele bergriviertjes spoelt de dunne humuslaag van de berghelling weg. Van verre is de bedding al zichtbaar door het grijze spoor van de kale rotsblokken. Regelmatig passeer ik zo'n lint van steen, deze open wonde.

Het fjäll is een onophoudelijk gepijnigd lichaam.

Gepijnigd door het water dat er tegelijk vorm aan geeft. Vier ijstijden hebben de dalen uitgeslepen, de vormen gedrukt. De bergbeken, rivieren en niet te vergeten de wind, zetten dit werk, deze marteling, voort.

Vormgeving en vernietiging in een en dezelfde beweging. Zonder geweld komt geen vorm, geen betekenis tot stand.

 

§

Ik ben de woorden vergeten waarmee ik het u wilde zeggen. Ik wist ze, en ik ben ze vergeten, en ik spreek hier tegen u terwijl ik die woorden vergeten ben. In tegenstelling tot elke schijn, ben ik geen vrouw die zich met hart en ziel aan de liefde voor één enkel wezen uitlevert, al was het degene die haar het allerdierbaarst op aarde is. Ik ben iemand die ontrouw is. Graag had ik de woorden teruggevonden die ik apart had gehouden om u dat te zeggen. Nu schieten me er toch weer een paar te binnen. Ik wilde u zeggen wat ik denk en dat is dat je steeds voor jezelf, daar heb ik het, nu weet ik het woord weer, een plek, een soort eigen plek, dat is het, moet openhouden, om er alleen te zijn en lief te hebben. Om lief te hebben zonder dat je weet wat, ook niet wie of hoe, ook niet voor hoe lang. Om lief te hebben, en nu herinner ik me opeens alle woorden weer...om in jezelf een plaats vrij te houden voor een wachten, je weet het maar nooit, het wachten op een liefde terwijl de persoon er misschien nog niet is, maar daarop en daarop alleen, op de liefde. Ik wilde zeggen dat u dat wachten was.

 

§

Aan het eind van het dal kom ik bij een op dit moment verlaten Sameviste. De huisjes van deze kleine nederzetting hebben de vorm van een kegel. De punt van deze kegel is een rookgat. Het skelet van deze typische Samekåtan wordt gemaakt van berkenstammen. Vervolgens worden vellen berkenbast als een huid over het skelet getrokken waarna het geheel met plaggen wordt bedekt. De ingang bestaat uit een houten deur die in een deurpost is gehangen.

Het rookgat wordt, bij afwezigheid, afgedekt met een houten plaat.

(Veel later, aan het eind van de tocht vlakbij Kvikkjokk zag ik langs de rivier berkenstammen die in een grote cirkel schuin tegen elkaar stonden. In het midden de resten van een groot kampvuur. 's Winters zullen om deze stammen rendierhuiden worden geslagen. Binnen, beschut tegen de koude, zingen de Samen dan hun aloude jojks. Ho lei lo lei lo la...)

Vijf kilometer verder, hogerop in de bergen een rengärde: een kilometers lang hekwerk in de vorm van een fuik waarin de rendieren gejaagd worden. Aan het eind is het hekwerk cirkelvormig. De grond binnen deze cirkel is vertrapt, en steekt witgrijs af. Van hieruit worden de kalveren een voor een gevangen en in een tweede cirkel gedreven alwaar ze worden gemerkt. Iedere bezittersgroep heeft zijn eigen merkteken.

 

§

Eén keer had hij daar met haar over gesproken, over de pijn die deze gedichten bij hem teweegbrachten omdat hij ze niet begreep. Zij moest zich in de betekenis van deze bekentenis vergist hebben. Want ze had tegen hem gezegd dat zodra deze gedichten hem pijn deden, hij waarschijnlijk al begonnen was ze te lezen, ze te begrijpen.

En daarna had hij de in zijn ogen vreselijke waarheid ontdekt, namelijk dat hij in het universum van deze vrouw nooit bestaan had en ook nooit bestaan zou.

§

Men stelde mij de vraag: waarom op reis, waarom alleen?

Het pad liep langs een veelkleurig moeras om vervolgens af te buigen. De ondergrond werd harder. Op dat moment, probeerde ik die vraag te pareren. Te pareren, omdat de vraag bijna altijd door agressie, of liever, onrust wordt gevoed.

Ben ik de pelgrim die op reis gaat uit ongenoegen met het aardse bestaan en om de herinnering aan zijn uiteindelijke bestemming levend te houden? Ben ik de moderne mens, de wetenschapper, die reist om zijn horizon te verruimen, die reist als middel om te kennen, om zijn inzichten te toetsen? Of ben ik wellicht de romanticus die niet geïnteresseerd is in de dingen om zich heen alswel in zichzelf en de wisselingen van zijn gemoed, de mens die zichzelf problematisch is geworden en die zichzelf wil ontdekken? Of behoor ik, los van deze drie karikaturen tot die vierde groep: die eigenzinnige eenling, de lezer, voor wie een reis nog altijd iets heeft van de oorspronkelijke verrukking om het vreemde en tevens van zijn verbijstering? Die reiziger die geniet van een plotselinge draai van het pad, de onverwachte schaduw van een steen.

Het plezier van het fjäll. De wandelaar die zijn plezier zoekt en zich hieraan overgeeft. Aanstootgevende praktijk: niet omdat het immoreel is, maar omdat het geen plaats heeft. A-sociaal.

Ik houd van dit open landschap omdat het voor mij die zeldzame ruimte is waarin iedere 'scène' (in de huiselijke, echtelijke betekenis van het woord), iedere woordenkraam afwezig is. Geen dialoog, geen discussie. Geen beoordeling, geen kritiek. Slechts dit oordeel: dat is het! En meer nog: dat is het voor mij! Dit voor mij is noch subjectief, noch existentieel, maar Nietzschiaans ('...in de grond van de zaak is het altijd dezelfde vraag: Wat is dat voor mij?...').

Een open landschap waarin de woorden niet beklijven. Het verhaal is er niet langer mogelijk.

Slechts het proeven van de luttele woorden. Breekbaar en onzeker.

Ga naar vorige pagina Ga naar begin pagina Ga naar volgende pagina

Noot:

De in de tekst cursief opgenomen fragmenten zijn afkomstig uit Emily L. van Marguerite Duras; het gedicht op pagina 43 is van Paul Celan en komt uit Paul Celan Gedichten; daarnaast zijn -en dat is onvermijdelijk- enkele fragmenten uit Het plezier van de Tekst van Roland Barthes in de tekst geslopen.

© November 1988

Terug naar het begin van deze pagina
27-05-2006