Het leesboek: Fjällteksten

Naast het fotoalbum op de wandelpagina's presenteer ik op deze site een klein leesboek, fjällteksten genaamd.

Het zijn drie kleine essays, opgetekend in 1985, 1988 en 1992. Een periode waarin ik nog niet de afstand nam om het landschap in foto's vast te leggen. De teksten zijn gebundeld, voorzien van een voorwoord en herzien in 1993. Plaatsen van handeling: Dovrefjäll (1985), Hemavan - Gradis - Sulitjelma - Kvikkjokk (1988), Storlien - Snasa - Gaddede - Borgafjall (1992). Enkele boeken die ik bij me had of die ik later in de boekenkast tegenkwam, zijn onlosmakelijk door de teksten heen gevlochten.

Voorwoord

Schrijven over het fjäll, over de tochten door de toendra, over mijn thuis in het hoge noorden. Het begon ruim zeven jaar geleden bij een voortijdig afgebroken tocht. Ik zocht naar woorden, ik wilde de wandeltocht op papier voortzetten. Het werd het begin van een ander avontuur. Moeizamer en ongewisser dan het wandelen zelf. In de bergen weet ik waar ik na verloop van tijd uitkom. Het schrijven is daarbij vergeleken een hachelijker avontuur, een ontdekkingstocht die bij iedere nieuwe zin nieuwe wegen kan inslaan, ook doodlopende wegen. Holzwege: wegen gemaakt om te ontginnen, maar voor de lezer eindigen ze in het niets.

Het is een zoeken naar een passende vorm geworden met als resultaat drie verschillende wandelingen door een en hetzelfde decor.

Schrijven of wandelen, er is een structurele overeenkomst: men komt altijd weer terug bij af, draait rond. Dat is uiteindelijk ook het wezen van die wandelingen: een omweg van ettelijke duizenden kilometers om steeds weer bij het begin uit te komen. Over de verstreken tijd, of liever gezegd, de opgeschorte tijd, kan ik moeilijk spreken.

Het tekstoppervlak is niet altijd even 'mooi' geworden. Ik zou een tekstoppervlak willen zien zoals het fjäll: wijds, onherbergzaam, doorsneden door diepe breuken: vergeten wonden van een verre ijstijd. Een oppervlak waar de wind, zon en regen vrij spel hebben. Dwergberken, grillig en taai. Kale rotsen, veelkleurig gesteente. Moerassen, sompig en onheilspellend. Meertjes. Het geluid van water. Een glooiend landschap met brede rivierdalen en afgestompte bergen.

Het is een plezier van de tekst: een zoeken naar een vredig bestaan, dat wil zeggen a-sociaal en eenzaam verloren lopend. Daar is een a-topie, een ontbreken van de sociale ruimte, een verdwijngat van de taal.

De eerste wandeling, de eerste tekst met de titel «Beeldenstorm in het Dovrefjäll»is een verhaal en daarmee tot mislukken gedoemd. Ik was gewaarschuwd. De waanzin van de dag van Maurice Blanchot eindigt niet voor niets met de woorden: "Een verhaal? Nee, geen verhaal, nooit meer."

De tweede wandeling met als titel «Versteende teksten in een open landschap» is voorzichtiger in haar structuur. Er is geen verhaal, slechts fragmenten in een toevallige volgorde. Het risico van het fragmentarisch schrijven is groot, zoals J.F. Vogelaar in zijn essay over Unica Zürn laat zien: "Juist het lichamelijke van het schrift maakt dat er frappante overeenkomsten bestaan tussen moderne literatuur en 'gestoorde teksten'. Het verschil is een kwestie van distantie."

Wellicht dat ik daarom het schrijven van Roland Barthes zo aanstekelijk vind: hij behoudt de distantie. Ik zie hem in een luie rookstoel zitten en tussen twee sigarenwolken in de dood in de ogen kijken. Maar ik, waar is mijn distantie?

Wandelend verlies ik de betekenis van de woorden, raak ik steeds verder onthecht. Totdat er alleen het bewegen is, de ademhaling, naamloos. Deze arbeid raakt verstoord door een ontmoeting. De aanblik, het oogcontact: een opluchting en teleurstelling tegelijk. Ter plekke heb ik weer een naam, een woonplaats, een motief. Het dolen, het verlies is opgeschort.

Ook zonder een ontmoeting stuit ik op grenzen: over het onverschillige van het landschap leg ik steeds een kaart: de plaatsbepaling blijft niet uit. Misschien dan maar een briefvorm. Schrijven vanuit de ene plaats naar de andere, schrijven met een bestemming. Deze derde tekst «dwalen tussen tekens» is gericht aan R. en is tegelijk de meest toegankelijke geworden. Het vertrekpunt ligt immers vast.

De teksten zijn geschreven in 1985 (herzien 1990), respectievelijk 1988 en 1992. Daarna werd het stil, de schriftuur werd vervangen door de fotografie en het genieten van het moment.

Wat blijft is die verliefdheid op het landschap, verliefdheid op de Snöhetta, het verlangen naar die kou, naar die verkoeling.

© Frans van de Pol

Utrecht, maart 1993

Ga naar begin pagina Ga naar volgende pagina

Terug naar het begin van deze pagina
27-05-2006